zaterdag 21 oktober 2023

Planetproof?

Als (bijna 100%) vegetariër en 'flexiveganist' veroorloof ik me vrijdag in de supermarkt een zeldzaam guilty pleasure: een stuk belegen Goudse kaas.  

Het duidelijk zichtbare label 'planetproof' op de (plastic...) verpakking dempt mijn schuldgevoel een beetje.

Kleine lettertjes

Maar thuisgekomen blijk ik de kleine lettertjes gemist te hebben. Die melden niet alleen 'Planetproof', maar ook 'on the way to'. Mooi in een kwart cirkel om 'Planetproof' gestrengeld. Wat dus net zoveel betekent als 'nog niet Planetproof'.
Maar dat klinkt marketingtechnisch een stuk minder, zelfs als je het in kleine letters zou blijven neerzetten. 

Kortom: ik voelde me belazerd.

Dat belazerd-gevoel gaat misschien één voordeel opleveren: een boost voor deze lang verwaarloosde Blog. Het vormt ook een prikkel om me een klein beetje verder te verdiepen in de wondere wereld van labels, certificaten en keurmerken.

Labels...dat stuk supermarktkaas van me staat er aardig vol mee. Van 'beschermde geografische aanduiding', vanwege de naam Gouda, tot aan een vriendelijke koe, die me meedeelt dat de kaas gemaakt is van weidemelk. En uiteraard mag ook de V van vegetarisch niet ontbreken.
De houdbaarheidsdatum is minder prominent in beeld, maar dat is een andere verhaal.  

Door dus naar de wereld achter 'On the way to Planetproof'.

Van 'Milieukeur' tot 'Planetproof' (...on the way to)

Tot 2017 heette dit keurmerk 'Milieukeur'. Saaie naam, dan swingt 'On the way to Planetproof' een stuk meer, ook al is het de zoveelste verengelsing in ons taalgebruik. Dat geldt trouwens ook voor 'swingt', realiseer ik me, maar laten we het hier verder niet over hebben.   

Maar waarom de keuze voor on the way to als naam van het keurmerk, waarom niet gewoon 'Planetproof'?  Op de website, die heet trouwens planetproof.eu, dus met weglating van on the way to, kan ik het antwoord niet vinden.
Maar op dekortsteweg.nl, een van de intussen talloze webstekken die zich profileren op duurzame landbouw, wordt de vraag voorgelegd aan Wim Uljee, woordvoerder van On the way to Planetproof.

Citaatje: "Op de vraag waarom het keurmerk ‘On the way to…’ PlanetProof heet, en niet PlanetProof, antwoordt Uljee kordaat: Omdat het nooit PlanetProof zal worden. Het is een stip op de horizon, maar daar zijn we nog niet. Ons doel is om de productie in balans te brengen met wat de planeet aankan, maar dat kunnen we nu nog niet waarmaken.Net als Greenpeace omschrijft Uljee het keurmerk als ‘een stap in de goede richting’[1].' " Einde citaat.

Kritiek uit onverwachte (?) hoek

Er is overigens wel degelijk kritiek op het keurmerk, maar die lijkt tot mijn verrassing vooral te komen uit de hoek van het bedrijfsleven: agrarische producenten en detailhandel. Deels komt dat door de hoge (steeds strengere) eisen die gesteld worden voor je het keurmerk mag dragen, deels door discussies over de gehanteerde normen, deels ook omdat de vergoeding, die een producent voor het dragen van een keurmerk ontvangt van zijn afnemers, niet altijd onomstreden is, lees: te laag wordt gevonden.

Maar een organisatie als Greenpeace staat (kritisch-)positief tegenover dit keurmerk.
En maakt daarom in 2020 verontrust melding van het bommetje dat supermarkten onder het keurmerk leggen.
Nog een citaatje, ditkeer afkomstig van Greenpeace: "Het slechte nieuws is dat supermarkten en telers lijnrecht tegenover elkaar blijken te staan als het gaat over compensatie van de extra kosten die telers maken voor Planet-Proof certificering. Hoewel de meeste supermarkten zeggen telers te compenseren voor de extra kosten die ze maken voor PlanetProof-producten, geven telers in onze enquête aan onvoldoende of geen vergoeding te krijgen. Geen wonder dat het draagvlak voor PlanetProof de afgelopen maanden 
zichtbaar is gedaald. Daarmee zetten supermarkten de toekomst van PlanetProof op het spel."


Greenpeace typeert de supermarkten als zwakste schakel in de duurzame teelt. Albert Heijn fungeert als hekkensluiter, kennelijk omdat ze niet meedoen met On the way to planetproof.

Let wel: ze zeggen dit in 2020 en met een vraagteken achter de titel van het stuk.
Of en in welke mate de zaken in de voorbije drie jaar zijn opgelost, heb ik zo gauw niet kunnen achterhalen. Laten we het hopen. In ieder geval lijkt het keurmerk in 2023 'alive and kicking', pardon: springlevend.

Toch klinkt soms ook kritiek uit andere richting, bijvoorbeeld over het gebruik van bestrijdingsmiddelen door On the way to Planetproof-gecertificeerde producenten. The Pesticide ActionNetwork is zelfs uitermate scherp: "Dit keurmerk onderscheidt zich niet van gangbare teelt zoals blijkt uit onderzoek bij aardbeien en appels van PAN-NL."

Opvallend is dat PAN-NL Albert Heijn niet als hekkensluiter, maar eerder als koploper typeert.
Vind je het gek dat de doorsnee consument al snel op het verkeerde been gezet wordt...daar heb je echt geen fakenews (nepnieuws dus) voor nodig?

Keurmerkengevecht

Al met al overheerst een positief oordeel over 'On the way to planetproof', en typeert Milieu Centraal - een ook door mij gerespecteerde instelling - het als een van de twaalf topkeurmerken voor eten en drinken. Het artikel waarin dit staat is ongedateerd (attentie, webmasters!), maar de lijst is niet ouder dan 2022, zo blijkt uit de tekst.


Wel lijkt er zo nu en dan sprake van een echt keurmerkengevecht: wie is de beste? Albert Heijn kiest eigenzinnig voor ‘Beter voor Natuur & Boer'. Verder moet 'On the way to planetproof' ook opboksen tegen het label 'biologisch'. Dusdanig dat de website uitgebreid ingaat op de verschillen.  
Als consument verdwaal je al gauw in dat keurmerken- en certificatengeweld. Milieu Centraal signaleert er zo'n 140, alleen al voor voeding.
En dat kán op een zeker moment leiden tot 'keurmerkenmoeheid', het bekende 'het zal wel'- gevoel. Als dat al niet het geval is...
Googelen op het woord levert precies een magere twee resultaten op, beide van dezelfde oorsprong: twee artikelen van een foodlog uit 2015 respectievelijk 2016. Lang geleden dus dat dit een issue had kunnen zijn, maar toch...

Wat duidelijk wordt na dit kleine beetje speuren is hoe complex, lastig en weerbarstig het is een goed en betrouwbaar keurmerk op de rit te zetten. En hoe ingewikkeld het is om door de bomen het bos te blijven zien.

Tot slot nog dit...

Toch blijft het gevoel van sneaky handelen me puzzelen. Vooral omdat de woorden 'on the way to' zo bewust low profile (onopvallend) lijken te worden gehouden.
Moet je de overtuiging op de goede weg te zijn niet gewoon ook durven uit te dragen, om niet te zeggen: benadrukken, in plaats van het aan de rand van je logo weg te stoppen?

Daarom: we zijn 'on the way to Planetproof', en dus goed bezig! Ideetje?

zondag 6 november 2022

Gedoe met een kapot NS-perronbord

Gebed zonder eind?

Update 8 november: na vier meldingen, een post op NS community en een (poging tot) klacht, is dit stukje een soort logboek aan het worden. Dus 'excuses voor de overlast'...

Het gebeurt allemaal op NS-station Almere Muziekwijk, een echt 'Sprinter'-station, met voor elke rijrichting één perron, en op elk perron één perronbord dat de eerstkomende trein aankondigt. 

Zo'n drie weken geleden, 17 of 19 oktober, dat weet ik niet meer precies, zie ik dat het 'perronbord' van spoor 1 defect is: geen informatie meer.
Altijd bereid NS onbezoldigd een handje te helpen met zijn dienstverlening, meld ik het defect via de informatiezuil bij de ingang. Inclusief het nummer van het defecte bord.

Een goede week later is het nog steeds stuk. Opnieuw vriendelijk gemeld, en vriendelijk te woord gestaan.
Op 4 november, drie weken later, om half vier in de middag, doe ik een derde melding via de informatiezuil. De dienstdoende persoon blijkt niet geïnteresseerd, onder het motto: 'u heeft toch een NSapp op uw telefoon?'  Welk perron het defect betreft, welk bordnummer is niet interessant. Wanneer het euvel verholpen wordt, kon (of wilde) hij (uiteraard) ook niet zeggen. Alles op een toon van 'wat zeurt u nou?'

Update dinsdag 8 november

Naar het station om een plaatje te schieten van de situatie. En voor de vierde maal het defect gemeld. Hoewel ook nu de NS medewerker via de servicepaal meldde dat ik naar Klantenservice moest (heb ik gedaan...ook daar blijft het stil) is er eindelijk (dank!) een verklaring waarom het zo lang duurt: er zijn geen onderdelen...Tja.

Rare toestand op 26 oktober

Welke onaangename gevolgen zoiets kan hebben, werd op 26 oktober duidelijk.
Het perronbord was toen al ruim een week defect.  

Ik was op weg naar Schiphol (om 21u42 door de poort voor rit 4376).
Gewoon naar spoor 1 gelopen, want veel keus heb je niet: spoor 2 van Almere Muziekwijk is standaard richting Almere Centrum/ Lelystad. Voor Weesp/ Schiphol moet je op spoor 1 zijn, dat weet elke reiziger.

Samen met anderen wachtend op spoor 1, zie ik ineens aan de overkant (spoor2) 'Hoofddorp' op het (daar dus wél werkende) perronbord staan. Enkele minuten later rijdt er een trein binnen op ons spoor, komend uit Weesp. Hij gaat 'linksrijdend' naar Lelystad. Wat is hier aan de hand? Niemand van de 10 tot 15 wachtenden snapt het.

Er is geen omroepbericht, er is ook geen conducteur te zien. Of toch...er komt een hoofd uit de machinistencabine naar buiten. Helaas, geen informatie: 'eerst goedenavond zeggen', kleineerde deze 'gezagsdrager' (BOA toch?) me.
Wat er aan de hand was? Geen woord. Informatie of omroepbericht in de trein aan verkeerd instappende reizigers? Forget it. Weg was-ie, zonder enige tekst en uitleg.
Ik heb toen zelf zoveel mogelijk reizigers toegeroepen dat we naar spoor 2 moesten. Wat een geluk dat de trein richting Hoofddorp vertraagd was. 

Ook hier: alleen het gezicht van de conducteur kwam even uit de machinistencabine, geen omroepbericht, niets....Desinteresse of duikgedrag...of beide??  

Update 7 november: Dit kan gevaarlijk worden

7 november, rond 8u20. Perronbord nog steeds defect. Er rijdt een Sprinter binnen. Zonder bestemming op het display (niet vooraan, niet aan de zijkant, nergens).
Is dit die van 8u 20 naar Hoofddorp? Of misschien tóch al die van 8u24 naar Utrecht? 
Een reiziger vraagt de machinist of het mogelijk is dit in de trein om te roepen.
Nee is de laconieke en weinig gemotiveerde reactie: het omroepsysteem in deze trein doet het ook niet...
Hoe moet dat ingeval van een calamiteit? Geen idee, maar hier wordt de grens tussen verloedering van het spoor en regelrechte onveiligheid overschreden. Moet het eerst echt fout gaan voor er iemand wakker wordt??

Incidenteel of structureel?

Nee, dit zijn geen losse incidenten. Je zou een boek kunnen schrijven over vergelijkbare gebeurtenissen, helaas inclusief de diep gewortelde desinteresse van veel NS-personeel naar hun klanten (met excuus aan hen die er nog wel wat van proberen te maken, die zijn er gelukkig ook nog...).
Het allemaal weer een keer opschrijven helpt waarschijnlijk niet echt, maar het lucht in ieder geval op...

maandag 15 februari 2021

2012-2021 Visie op de FNV toen en nu

Eind 2011 stond de FNV op een tweesprong. Beter gezegd: op het punt om uit elkaar te vallen, een regelrechte bestaanscrisis. Dat uiteenvallen is toen niet gebeurd. Na het akkoord van Dalfsen kwam 'De Nieuwe Vakbeweging'. De kwartiermakers van Jetta Klijnsma en Tuur Elzinga (jawel) deden in 2012 het lijmwerk We hadden als motto: 'Van bond naar beweging'.
Ik heb toen - eind 2011 - een aantal do's en don'ts opgeschreven en rondgestuurd: mijn visie op de nieuwe vakbeweging. Een visie die destijds door velen werd gedeeld.
We zijn nu negen jaar verder (en wijzer??). Zijn we in de goede richting gemarcheerd? Kijk met mij nog eens terug naar die do's en don'ts en oordeel zelf.

'12 voor 2012…mijn beeld van de do’s en don’t van de vakbeweging'

Oud of nieuw?
Jan Verhagen – 6 dec2011

1. Don’t: geen zaakwaarnemer (‘ik regel het voor je’). Do: de vakbond is een activeerder (‘jij en je collega’s gaan het samen met de mannen/ vrouwen van de werkorganisatie regelen’). De vakbond…dat zijn wij allemaal.

2. Don’t: geen sociale ANWB die vooral gericht is op individuele dienst- en hulpverlening. Do: een bond die – ook in zijn individuele dienstverlening - zichtbaar gefundeerd is op een leidend vakbondsprincipe: samen sta je sterk! Met andere woorden: jouw probleem en jouw wens is vaak óók het probleem en de wens van je collega, en als we daar samen voor gaan staan, is de kans op succes stukken groter.

3. Don’t:geen onherkenbare, zweverige en abstracte top-down papierfabriek van mooie nota’s. Do: een club meteen verhaal waar werknemers zich in herkennen omdat het stevige wortels heeft in wat zij belangrijk vinden (bottom-up)

4. Don’t:geen vakbeweging die vooral thuis is op het Binnenhof, bij de SER, in de directiekamers, op het NOS-journaal, en onzichtbaar op de werkvloer. Do: een vakbond die in alles uitstraalt dat al het – noodzakelijke - polderwerk slechts één stevig vertrek- en eindpunt kan hebben, zonder hetwelk de polder onderloopt: een herkenbaar en stevig in bedrijven en sectoren gewortelde organisatie.

5. Don’t: geen vakbond dus van alleen maar overleg – hoe noodzakelijk ook. Do: een bond met als beslissend kenmerk het activeren en mobiliseren van werknemers. Waarbij activeren en mobiliseren niet uitsluitend de vorm van ‘tegen verslechteringen’, ‘staking’ en andere vertrouwde vakbondsformules aan hoeft te nemen. Vechten voor beter, nieuwe actievormen, campagnes en in het zonnetje zetten van het goede (‘vakbondsprijs veilige haven’) maken juist een wezenlijk bestanddeel uit van de ‘nieuwe’ vakbeweging.

6. Don’t:Geen club van ‘actie om de actie’ Do: een beweging gericht op het bereiken van herkenbare en, zoals dat zo mooi heet, gedragen werknemersdoelen. En niet te vergeten een club, die, als die doelen op papier – cao, arbocatalogus, noem maar op – eenmaal bereikt zijn, doorheeft, dat dit pas het begin is: daadwerkelijk realiseren op de werkvloer komt vaak pas daarna!

7. Don’t: geen club hoofdzakelijk staat voor de slinkende kern van vaak oudere werknemers met een vast dienstverband. Do: een club die, uitgaande van de gemeenschappelijke belangen van werknemers, vecht voor iedereen die feitelijk in een loonslaafpositie verkeert: de vaste kracht, de flexkracht en – vaak ook - de ZZPer. Ook hier geldt het ‘samen sta je sterk’.

8. Don’t: geen gesloten instituut van zonder achterban opererende bobo’s, van eeuwigdurende vergadertijgers (of dat nu in bondszaaltjes of in het overleg met de directie is…), van “gestaalde” bestuurders en “gestaalde” kaderleden (die vooral contact met elkaar en met hun onderhandelingspartners onderhouden).

Geen instituut dat denkt veranderingen via statuten, congressen en organisatie-aanpassingen te breiken. Do: een levend netwerk van actieve leden en bestuurders – van mij mogen ze allemaal activisten heten - die de kunst verstaan om elke dag weer onder en met hun eigen achterban te werken, en die als slogan hebben: veranderen? Daar moet je niet over lullen, dat moet je doen!

9. Don’t: geen kaderleden (en bestuurders) die vooral zichzelf goed vertegenwoordigen en positioneren, alle vergaderingen aflopen, kien zijn op elke tv-camera, maar niet of nauwelijks zichtbaar zijn voor gewone werknemers. Do: zoek en train de ‘natuurlijke leiders’, die weten wat hun collega’s cq. achterban beroert, die dat aansprekend onder woorden weten te brengen, weten te herleiden tot de kern, en die met name hun collega’s cq. achterban weten te enthousiasmeren om er samen de schouders onder te zetten.

10. Don’t: geen onzichtbare achter de gordijnen van paritaire instellingen opererende club. Do: een vakbond die zich elke dag weer herkenbaar als ‘de vakbeweging’ profileert – in bedrijf, in de sector en nationaal

11. Don’t: geen club die denkt ‘wij zijn zo goed, de leden komen vanzelf wel’, Do: een vakbond die zijn dagelijkse activiteiten prominent weet te combineren met het werven en behouden van leden. Identificatie en herkenbaarheid (“dat is ons FNV”) en tevredenheid (“goeie club, wil ik bijhoren”) zijn daar sleutelwoorden in

12. Don’t: geen club die zichzelf gevangen houdt in spelletjes om de macht, in eeuwige conflictzoekerij. Do: een vakbeweging die doorheeft dat eenheid van werknemers ook vraagt om eenheid van vakbeweging. Echte eenheid staat op de stevige basis van een duidelijk, gedeeld en in de praktijk door iedereen uitgedragen vakbondsprofiel, en zoekt vervolgens op die basis naar wat ons bindt, niet wat ons scheidt. Echte eenheid – tot slot – vraagt stevig en eensluidend leiderschap.


donderdag 4 februari 2021

Voorzittersverkiezing FNV: 3 rondes boksen


Het online debat tussen FNV voorzitterskandidaten Kitty Jong en Tuur Elzinga op  woensdagavond 3 februari, had Amerikaanse trekjes. Aan de ene kant strak geregisseerd: de vragen aan de kandidaten vooraf geselecteerd en in de chat alleen je eigen inbreng zichtbaar. Dus geen zicht op meningen en vragen van andere leden. Ook de soms boeiende ‘chatdiscussies’ in de  kantlijn ontbraken.

Aan de andere kant was ook het debat zelf af en toe erg Amerikaans, vooral in de tweede ronde, toen de kandidaten hun best deden elkaar te overstemmen, en de gespreksleider soms de wanhoop nabij leek. Alsof ze een cursus Trump versus Biden hadden gevolgd. Pogingen hen kort en bij de les te houden, leden al in de eerste ronde schipbreuk: de breed uitwaaierende uiteenzettingen wonnen.

Het werd een bokspartij in drie rondes. De eerste ronde: aftasten, aardig tegen elkaar zijn, met af en toe een plaagstootje.

De tweede ronde: vol op stoom ertegenaan, een kluwen aan wederzijdse statements en kritiek, dwars door en over elkaar heen. En veel rook, want erg concreet werd het allemaal niet.

De derde ronde

De derde ronde is het meest interessant. We zien Tuur Elzinga verkrampen, in herhalingen vervallen en in het defensief gedrongen. Kitty Jong komt op toeren, waarbij ze slim in weet te spelen op de onvrede vanwege de blokkade op de kandidatuur van havenbestuurder Niek Stam.
Duidelijk wordt dat Jong, met haar kritische houding naar overheid en polder, met haar ‘ik ben er voor de leden’ duidelijk voor ogen heeft wáár ze haar stemmen wil halen.
Knap gedaan, ze zou op die manier best de winst kunnen binnenhalen.
Maar ook verrassend. Zelf heb ik tot nu toe in de te vaak voorzichtig en defensief opererende Jong weinig meer dan een zwakke, vooral verbale schaduw van Stam kunnen herkennen.
Dat wekt de verdenking dat we deels met ‘verkiezingsretoriek’ te maken hebben. Iets waar ze, laten we eerlijk zijn, bij de Pvda veel ervaring mee hebben.

Niet ‘volgens het boekje’ was dan weer wel dat de kritische benadering van 'de polder' van voormalig Pvda-gemeenteraadslid Kitty Jong kwam. Terwijl de vroegere SP-senator Tuur Elzinga zich juist vol overgave tot diezelfde polder bekende.

Winnaar?

Het debat heeft een duidelijke winnaar: Kitty Jong. Het toont ook waar beide kandidaten tekort schieten. Ze slaagden er niet in te voorkomen dat het een zwart-wit gesprek werd. Of het een, of het ander. En dat gaat, vind ik, niet werken. De balans tussen ‘top’ en ‘basis’, tussen het voornaamste vakbondsfundament, de werkvloer, en de ‘afmakers’ in Den Haag, staat bij de FNV al vele jaren op zijn kop.

En niet alleen de overheid is onbetrouwbaar (Jong), dat geldt net zo goed voor de werkgevers. Die hebben er bovendien een kunst van gemaakt de overheid hun kant op te souffleren.
Maar laten we ook in Den Haag opererende vakbondsbestuurders niet uitvlakken, voor wie de institutionele positie als ‘sociale partner’ ook nu nog vaak belangrijker lijkt dan het belang van de leden. Lees er '
Arbeidsverhoudingen in Nederland' van John Windmüller maar op na. Dan hebben we het over eind jaren ’60. ‘Ken je klassieken’, zou Kitty Jong zeggen.

Die problemen los je niet op met een alternatieve 'kleine polder' op sectorniveau. De  ‘werkvloer’ wordt in het debat steeds in één adem genoemd met ‘de sectoren’, maar het zijn twee wezenlijk verschillende niveaus van vakbondswerk!

Opmerkelijk is verder dat beide kandidaten het vooral over ‘ik’ hadden. Een goede vakbondsvoorzitter weet dat zij of hij vooral als ‘wij’ zal moeten opereren, als lid van een team, en omgeven door mensen en organen (Ledenparlement) die zich niet onbetuigd zullen laten. Een voorzitter heeft bij de FNV (gelukkig) niet de alleenheerschappij, maar zal, zoals ik het in mijn bespreking van een recente  publicatie van Paul de Beer verwoord ‘inspirerend, zichtbaar, richtinggevend en over draagvlak beschikkend leiderschap’ moeten tonen. Ik zie dat geen van de twee kandidaten doen.

Tot slot bespeur ik bij geen van beiden ook maar het minste urgentiegevoel voor de noodzaak de ‘vrije val’ van de FNV te stoppen, en de vakbondssteven rigoureus te wenden. Beiden beperken zich tot bijsturen binnen de lijntjes. De een wat minder voorzichtig dan de ander, maar toch. 

En nu?

Na lang aarzelen ben ik bang dat ik uiteindelijk niet ga kiezen. Weliswaar gaat je stem dan ‘verloren’, maar - vrij naar Kitty Jong: liever géén keuze dan een '(minst) slechte' keuze.
Maar goed, er is nog tijd om tot inkeer te komen...

 (Het debat is online terug te kijken . En stemmen kan nog tot 9 maart)

 

 

maandag 9 november 2020

Vakbond versterken op de werkvloer? Maak die keuze!

(klik hier voor de pdf-versie van deze tekst)

Ruim een half jaar geleden heb ik een artikel over 'activerend vakbondswerk' geschreven. Dat was - is - bedoeld voor plaatsing in een bundel van 'De Burcht' (1), het Wetenschappelijk Bureau voor de Vakbeweging, in Amsterdam. De bundel in kwestie wacht op het moment dat ik dit schrijf (9 november 2020) nog op publicatie, dus daarover valt inhoudelijk nog niets te zeggen. Toch prikkelt alleen al de titel, 'Vakbond en werkvloer, op weg naar nieuwe relaties', tot nadenken. 

Het thema zelf is bepaald niet nieuw. In Nederland is de relatie tussen 'vakbond' en 'werkvloer', zeker sinds de jaren '60 van de vorige eeuw, wel vaker onderwerp van discussie geweest, en in beperkte mate ook van onderzoek. Ook buiten de vakbondswereld is het 'bedrijvenwerk' bekend, dat midden jaren '60 vorm krijgt, en dat in een aantal bedrijven en instellingen nog steeds bestaat.

Toch is de positie van de Nederlandse vakbeweging op de werkvloer zwak, en hij lijkt er sinds de eeuwwisseling niet sterker op geworden. 

Bij de FNV wordt al vele jaren gezocht naar de route om het tij van dalende organisatiegraad, vergrijzing en tanende invloed te keren. Ondanks enkele, meestal tijdelijke, successen is dat nog niet gelukt. Integendeel: de hoop die velen na 2012 koesterden, 'van bond naar beweging', is verdampt. Een onduidelijk profiel, interne conflicten, krimp, reorganisatie, bezuinigingen, en niet in het minst: tal van verschillende, vaak tegenstrijdige (beleids)visies, bepalen heden ten dage het beeld.

De Nederlandse vakbeweging is de gevangene van zichzelf geworden, maar een gevoel van urgentie om zich door ingrijpende strategische keuzes daaraan te ontworstelen lijkt afwezig, ook in de recente discussie rond de nota 'FNV Toekomstvast' (2).
Toch is de tijd van vrijblijvend filosoferen (al heel lang) voorbij. Dat geldt zeker voor het denken over de relatie tussen vakbond en werkvloer: onderzoek, evaluatie en discussie moeten leiden tot duidelijke en goed gefundeerde keuzes. Het is te hopen dat de binnenkort verschijnende bundel van de Burcht hieraan substantiële impulsen weet te geven.

Fors investeren in zichtbare, dynamische en blijvende vakbondsaanwezigheid in de dagelijkse werkomgeving kan de deuren naar herstel helpen openen. Maar wie de leiding van de FNV hierover aanspreekt, bemerkt aarzeling, nu én vroeger. Die aarzeling, weerstand is misschien een beter woord, wordt verpakt in ontwijkende uitspraken om de draai naar de werkvloer vooral maar niet te hoeven maken. Van we hebben toch goede verbindingen met onze leden langs allerlei wegen, zoals het Hoofdbestuur van FNV Bondgenoten deed op het congres van 2004 (3) , tot de werkvloer van nu is niet te vergelijken met die van 1980 uit de mond van het Dagelijks Bestuur van de FNV in 2019 (4).

Het kán anders. Kijk naar de AbvaKabo FNV rond 2012, kijk naar vakbondbestuurders en kaderleden die in het eigen werkgebied de vakbondspositie op de werkvloer proberen te verstevigen, of naar de intenties van de organizingcampagnes en naar inhoud en richting van de FNV kaderopleiding.
Maar om nu te zeggen dat die gezichtsbepalend zijn voor de FNV van 2020...nee.

Hieronder heb ik een poging gewaagd enkele onderzoeks- en gespreksingrediënten te benoemen die naar mijn mening onmisbaar zijn voor een solide keuze om vol in te zetten op versterking van de vakbondsfundamenten in de dagelijkse arbeidssituatie, jawel: op de werkvloer.

In de uitgebreide webversie van mijn artikel over activerend vakbondswerk·, in een eerder geschreven webartikel over vakbond en werkvloer(5) , en in enkele teksten over vakbond en neoliberalisme (6), heb ik gepoogd ook wat meer inhoudelijke voorzetten te geven.
Dat alles vanuit de hoop (nee, niet de verwachting) dat sommige ‘denklijnen’ in die stukken wellicht enige impact op inhoud en richting van onderzoek en debat over de versterking van het vakbondswerk in de onderneming kunnen hebben.
 

Vakbond en werkvloer: enkele onmisbare ingrediënten voor een duidelijke koersbepaling 

1.      Veranderingen (met name na 1980) in positie (machts)verhoudingen en belangen in bedrijfsleven/ bedrijven, op de arbeidsmarkt en in de rol van de overheid, ook in internationaal perspectief.

2.      De wijze waarop de vakbeweging maatschappelijke en sociaaleconomische ontwikkelingen heeft geduid, hierop heeft ingespeeld (reactief), of (mee) de agenda heeft bepaald (proactief).

3.      Maatschappijvisie en de maatschappelijke positionering van de vakbeweging binnen de arbeidsverhoudingen. Waar, wanneer, bij wie ligt een accent op gemeenschappelijk belang (sociaal partnerschap, ‘medemacht’), dan wel op belangenverschillen en -tegenstellingen ('tegenmacht’)?

4.      De impact van het type vakbeweging (‘modern’ conform de ideeën van Henri Polak, of anders) op keuzes ‘voor of tegen’ de werkvloer.

5.      Vakbondswerk in de onderneming: een gedegen historische analyse, inclusief veel aandacht voor de jaren 2000-2020. Niet alleen bij 'smaakmaker' FNV, maar ook van bij NKV, CNV en MHP/VCP aangesloten bonden (7), en bij categorale organisaties.

6.      De relatie tussen vakbond en medezeggenschap (OR, PVT). Op de werkvloer komen ze elkaar tegen…of juist niet (living apart together?)

7.      De impact van inhoudelijke zwaartepunten op de zichtbaarheid in de onderneming. Is de vakbeweging vooral cao-, werkgelegenheids- en pensioenmachine of gericht op arbeid en inkomen over de volle breedte: kwaliteit van de arbeid, gedefinieerd als de 'vier dimensies van de arbeidssituatie' (8)

8.      De impact van zichtbaarheid en herkenbaarheid op de werkvloer op ledental, organisatiegraad en representativiteit.

9.      De afstand tussen vakbondsleiding en vakbondsleden in relatie tot ‘institutionalisering’, landelijk, sectoraal én op het niveau van de onderneming (9). 

Bij alle 9 punten moeten (ook) beleid en visie (1), de feitelijke (vakbonds)praktijk (2) en de balans (resultaten, leerpunten) (3) - aan de orde komen.

 

 

 

 

VOETNOTEN

(1) Uitgave was gepland in juni 2020. Houd https://www.deburcht.nl/wetenschappelijk-bureau in de gaten!

(2) Op 13 oktober nam ik deel aan een van de webinars hierover; de nota zou bij het FNV Ledenparlement liggen, maar verder is het mij tot op heden niet gelukt meer aan de weet te komen

(3) Webversie van 'Activerendvakbondswerk en de werkvloer', blz.20

(4) Idem, de tekst bovenaan blz. 22 is gebaseerd op uitspraken van Zakaria Boufangacha tijdens de jubileumbijeenkomst van de VHV in november 2018

(8) Arbeidsvoorwaarden, arbeidsverhoudingen, arbeidsomstandigheden, arbeidsinhoud

(9) De afstand tussen werknemers enerzijds en (geïnstitutionaliseerde) vakbondskaderleden en OR-leden anderzijds.

woensdag 8 mei 2019

Méér Europa om marktwerking en macht van multinationals in te dammen

Op maandag 6 mei was ik bij een Europees 'lijsttrekkers'debat van de FNV. Lijsttrekkers tussen aanhalingstekens omdat er maar twee aanwezig waren: Sophie in ’t Veld van D66 en Arnout Hoekstra van de SP. Andere partijen hadden 'lagergeplaatsten' gestuurd: Agnes Jongerius, nummer twee van de PvdA, Jeroen Lenaers, tweede op de lijst van het CDA en Dirk Jan Koch, de nummer vier van GroenLinks. 
In totaal vijf mensen, andere partijen mochten, wilden of konden niet meedoen aan dit debat.
Om misverstanden te voorkomen: het ontbreken van drie lijsttrekkers deed zeker géén afbreuk aan de inhoudelijke kwaliteit. Integendeel: heel wat Tweede Kamerleden zouden bij deze Europarlementariërs in de leer kunnen gaan. Al was het maar omdat zij de moed opbrachten om hun gedachten vrijelijk uit te spreken, ook al waren die soms Eurokritischer of Europositiever dan de officiële partijlijn.

Vakbondsissues als marktwerking, doorgeschoten flexibilisering en het Europese faciliteren van schijnconstructies komen ruim aan bod. Met name FNVer Edwin Atema, kenner bij uitstek van het wegvervoer, schetst indringend de rauwe Europese werkelijkheid. Zonder omhaal stelt hij: de Europese Commissie spreekt mooie woorden, maar wij, werknemers, en ook het Europese Parlement, worden feitelijk gewoon belazerd.
Ook de aanwezige Europarlementariërs uiten meermalen hun frustratie over een Europese Commissie en een Europese Raad van regeringsleiders die hun eigen Brusselse gang gaan.


De EU als (neo)liberaal project 


Wat wordt aangestipt, maar onvoldoende benoemd, zijn de achtergronden, om niet te zeggen de oorzaken, van de Europese misstanden. Bijna veertig jaar na Ronald Reagan en Margaret Thatcher is de Europese Unie een exponent bij uitstek van neoliberale marktwerking onder auspiciën van multinationals en financierskapitaal. Dat is geen recente ontwikkeling, zoals de SP in zijn verkiezingsfolder beweert. Even snuffelend tussen de oude boeken op zolder vind ik een publicatie uit 1976, meer dan 40 jaar geleden. Daar analyseert econoom Arnout Weeda het dominante Europees marktdenken in dienst van multinationals, en de trekkersrol van Nederland[1].
Ongebreideld marktdenken is al vele tientallen jaren een hoeksteen van 'Project Europa'. Met - laten we dat vooral niet vergeten - Nederland vaak als beste jongetje van de Europese klas: kampioen marktwerking, flexibilisering, belastingontwijking en ook nog eens notoire klimaatachterblijver

Zwaai naar rechts 


Maar er is meer. In Hongarije, Polen en elders zien we een toename van ultraconservatieve, om niet te zeggen: reactionaire politiek. De EU gaat hier uiterst omzichtig mee om. Ook dat is gesignaleerd tijdens het lijsttrekkersdebat: waar Rusland kan rekenen op sancties vanwege de bezetting van de Krim en het dictatoriale opereren van Poetin, blijft het in het geval van EU-leden Polen en Hongarije bij een waarschuwende vinger.
Toeval? In een video-interview eind 2018[2] signaleert David Harvey[3] dat de veranderende geopolitieke verhoudingen, de verharding van de concurrentie tussen multinationals, maar ook de toenemende onvrede onder de bevolking, het 'politieke midden' steeds vaker verleiden tot mildheid jegens de extreme nationalistische rechterflank van het politieke spectrum. Al dan niet in combinatie met gedeeltelijke toe-eigening van hun politieke agenda. Gedeeltelijk, want zoals o.a. Rutte duidelijk aangeeft: Europese geopolitieke en militaire belangen zijn niet gediend met Brexit- of Nexit-operaties. Dat gaat ze nét iets te ver.


Pas op de plaats...


Al met al genoeg redenen om vooral niet te ijveren voor een verdere versterking van Europa?
Dan maar - minimaal - een pas op de plaats en een focus op meer bevoegdheden voor Den Haag? 

Ik trek die conclusie niet. Integendeel. En dan niet omdat de geopolitieke ambities van Europa een boost nodig hebben, zoals het unanieme SER-advies[4] over Europa suggereert[5], maar juist door bovenstaande schets van het neoliberale wezen van de huidige EU.

Naïef of tegen beter weten in? De FNV en het SER-advies over Europa

Vandaag de dag opmerkelijk: zowaar een unaniem SER-advies…en dat nog wel over een controversieel onderwerp als Europa.
De titel, "Prioriteiten voor een fair Europa: Samen sterker in een onzekere wereld", lijkt typerend voor de vakbondsvisie op Europa: samen met de werkgevers de schouders eronder. Het zegt ook iets over de onwaarachtigheid aan werkgeverszijde, want die weten wel beter.

De belangentegenstelling tussen werknemers en werkgevers wordt, voor wat betreft Europa, plechtig ten grave gedragen, het marktdenken stevig omarmd. "Het advies stelt vast dat economische vrijheden en sociale rechten op de Interne Markt hand in hand gaan en dat die gelijkwaardig zijn… omdat nu ook de Nederlandse werkgevers inzien dat de interne markt eerlijker georganiseerd kan én moet worden[6]".
Tekenend is de nostalgische typering van de EU in dit SER-advies: "zij staat voor het maatschappijmodel van de sociale markteconomie – dat uitgaat van een breed, inclusief welvaartsbegrip.[7]"
Verbazingwekkend in het licht van de neoliberale Eurorealiteit.
Leeft de vakbondsdelegatie in de SER in een andere wereld, is dit naïef wensdenken, of is het een krampachtig vasthouden aan de polder, desnoods tegen beter weten in? Wie het weet mag het zeggen.

We zien al vele tientallen jaren dat grote delen van de politieke, sociale en economische besluitvorming zich onttrekt aan nationale grenzen. Dat geldt niet alleen voor 'Brussel' maar vooral voor het trio multinationale ondernemingen, wereldwijd opererende banken en grote beleggers.
Politieke partijen, werknemers en hun vakorganisaties die onder die omstandigheden vooral 'de nationale kaart' blijven spelen, primair maatregelen en wetgeving verwachten uit den Haag[8], beroven zichzelf van de middelen om een daadwerkelijke tegenmacht te vormen. 'Onze' KLM' (voor 14,3% van de Franse staat, voor meer dan 16% eigendom van Chinese en Amerikaanse bedrijven), 'ons' Tatasteel (Indiaas bezit), 'onze' ECT (Chinees), 'ons Unilever'(de nog bestaande Nederlandse beschermingsconstructie tegen overnames is eind 2017 opgeheven[9] [10]), ze zijn al lang niet meer van 'ons'. Dat ze vanuit werknemersoogpunt zelden[11] of nooit 'van ons', maar van private ondernemers en grote aandeelhouders waren, laten we voor het gemak even buiten beschouwing. 

...of meer Europa?


Den Haag voorrang geven op Brussel is de kop in het zand steken. Het bestendigt de onderlinge verdeeldheid tussen werknemers van de verschillende EU-staten, iets waar ook Europese vakbonden onder elkaar niet van gevrijwaard blijven. En op zijn zachtst vindt het eerder genoemde trio dat niet onprettig. Het zwaartepunt van werknemers- en vakbondseisen blijven leggen bij nationale economie en politiek, geeft multinationals, banken, aandeelhouders, hun lobbyisten en hen welgezinde politici precies de ruimte om ook in de toekomst hun eigen gang te blijven gaan. Verdeel en heers…

Anderen over de EU en de Vakbeweging

Bij het schrijven van dit stuk heb ik, zoals gezegd, een publicatie van Arnout Weeda onder het stof vandaan gehaald. Daarbij ontdek ik dat mijn boodschap 'meer Europa in het belang van tegenmacht' onverwacht goed aansluit op zijn verhaal van 43 jaar eerder[12].




Een effectieve tegenmacht tegen neoliberale marktwerking, tegen ongrijpbare multinationals, ontembare aandeelhoudersmacht en -graaizucht, strijdend vóór duurzame sociale rechtvaardigheid en meer democratie, zal zijn pijlen in een andere dan Haagse richting moeten afvuren, namelijk naar waar de feitelijke macht en zeggenschap zetelen.

Werknemers en hun vakbonden, en ook werknemersvriendelijke politieke partijen, hebben het tegendeel van een nationale focus nodig. Richt de werknemers- en vakbondsinzet op eendrachtig en gezamenlijk optreden over de grenzen heen, en op een gezamenlijk 'Europees vakbondsprogramma'.
Alleen zo is de 'race naar beneden', antisociaal wezenskenmerk van de EU in zijn huidige gedaante, te stoppen. En alleen zo kan de weg naar een ander, socialer Europa succesvol zijn.

'Meer Europa', stoelend op werknemerskracht en werknemersinitiatief, genereert daarvoor een betere uitgangspositie dan een pas op de plaats of benepen terugtrekken achter nationale grenzen. Vandaar de titel bovenaan dit stuk…

(voor pdf-versie: klik hier














[1] Arnout Weeda, 'De Europese sanering'- Sjaloom Odijk 1976 - blz 17-18: "Niet toevallig werd het idee van een gemeenschappelijke markt zonder handelsbarrières juist door Nederland zo op de voorgrond geplaatst…En even verderop: "De druk van het internationale bedrijfsleven was nu eenmaal niet meer te weerstaan"
[3] sociaal-geograaf en hoogleraar aan de City University of New York. Schrijver van het boek "A brief history of neoliberalism" (2005) Zie https://nl.wikipedia.org/wiki/David_Harvey
[4] SER-advies 12 april 2019 "Prioriteiten voor een fair Europa: Samen sterker in een onzekere wereld" - zie https://www.ser.nl/nl/Publicaties/fair-europa
[5] "De Europese landen moeten hiervoor krachtiger samenwerken. De machtsveranderingen in de wereld maken dat noodzakelijk" staat er op de webpagina van de SER. De geopolitieke omschrijving 'machtsveranderingen in de wereld' komt in het SER-advies zelf als zodanig niet voor.
[6] Extra FNV-EU-Nieuwsbrief over het Europees lijsttrekkersdebat
[7] SER-advies (digitale pdf-versie) blz. 4
[8] of, afhankelijk van de nationaliteit: Parijs, Berlijn, Rome enz.
[10] over de invloed van Britse shareholders hoeven we sinds het besluit om het hoofdkantoor NIET naar Rotterdam te verplaatsen weinig meer te zeggen
[11] Hoogovens en KLM hadden of hebben te maken met overheidsdeelname, wat tot op zekere hoogte als 'van ons' kan worden gezien
[12] Weeda, blz.49-50

donderdag 11 april 2019

ZWARE BEROEPEN EN AOW

Eén van de speerpunten in de pensioenacties van de vakbonden: de AOW-leeftijd tijdelijk (!) bevriezen op 66 jaar. Ook voor de mensen in zware beroepen. Want veel werknemers houden het niet vol tot aan de AOW-leeftijd. Dat is het verhaal, en daar zit geen woord Spaans bij.
Toch bekruipt me als ”arbo-man” een raar gevoel: er klopt iets niet..maar wat? Een paar maanden geleden viel het kwartje. Beetje laat eigenlijk, maar dat zal de leeftijd wel zijn.
Het zit zo: we hebben in dit land sinds pakweg 1983 een Arbowet. Die wet verplicht werkgevers ervoor te zorgen dat hun werknemers niet ziek worden door het werk. Fit naar de finish om zo te zeggen. Oók als ze een zwaar beroep hebben. Met een beetje slimme combinatie van techniek en organisatie kan dat in meer dan 80% van de gevallen lukken, vermoed ik. Hoe heet dat ook weer in de arbowet? O ja: arbeidshygiënische strategie.
Maar ja die arbowet…die ligt al jaren in directielades te verstoffen. Onze topmanagers en CEO’s hebben belangrijkere dingen aan hun hoofd. Zoals op de koffie gaan bij Mark Rutte voor twee miljard dividendbelasting. Of honderden miljoenen klimaatsubsidies binnenharken, want daar zijn ze nu erg druk mee.
En zeg nou zelf…daar schiet je toch heel wat meer mee op dan met gezonde werknemers? Die zijn per slot makkelijk en snel te vervangen, leve de flexibilisering!
Zouden ze weten dat er ook nu nog elk jaar ruim 4100 mensen sterven als direct of indirect gevolg van onveilig en ongezond werk? Dat aantal daalt niet, nee, het stijgt. Rond 2010  lag het rond de 3000, vijf jaar jaar later zitten we ruim 30% hoger. Risico van het vak?
Goed, ik begon dit stukje met AOW en zware beroepen. Maar wie heeft er een zwaar beroep? Een stratenmaker of een uitbener in een slachterij, denk ik dan direct. Of iemand die jarenlang nachtdiensten in zijn of haar dienstrooster ziet staan.
Maar leraar in een klas vol pubers, daarna vergaderen en papierwerk afhandelen? Of kantoormens in één van die snelle jongens-torens op de Zuidas? Zittend achter een mooi bureau, met je bed er naast. Bij wijze van spreken, maar geloof me: op de Zuidas maken ze heel wat uren…Betaalt natuurlijk lekker, maar hoe lang hou je
dát eigenlijk vol?
‘Zitten is het nieuwe roken’, toch? En roken is dodelijk, dat weten we allemaal. Ook de sportschool helpt dan niet, zo las ik onlangs. Lichamelijke en geestelijke belasting gaan vaak samen in één baan. De buschauffeur – zwaar én zittend werk – krijgt steeds meer stress voor de kiezen. De callcentre-medewerker – stressvol en zittend werk – heeft nauwelijks tijd om even een luchtje te scheppen. Nee, niet om een sigaretje te roken!!
Tja, zou het langzamer stijgen van de AOW-leeftijd dan helpen? Of spannen we het paard achter de wagen? Even uitleggen voor de mensen van na 1960: tot eind jaren 50 van de 20ste eeuw gingen melkman en groenteboer nog met paard en wagen langs de deuren met hun handel. En zo’n paard moest vóór de wagen gespannen worden, niet erachter. Zo ging dat toen. Laat ik trouwens de schillenboer niet vergeten…afvalscheiding lang voordat het woord was uitgevonden!
Het kan echt anders. Werkgevers, luister en huiver. Laten we die arbowet eens goed afstoffen. En pak de arbocatalogus van je sector er bij. En nog wat andere teksten waarin helder uit de doeken wordt gedaan dat ongezond en onveilig zwaar werk eigenlijk nergens voor nodig zijn. Maak je geen zorgen: veel informatie is helemaal gratis, dus daar hoef je het niet voor te laten. 
En laten we dan met jullie afspreken dat zwaar werk, óók psychisch zwaar werk, in 10 jaar tijd met ten minste 70% teruggedrongen wordt. Afspreken, en als het moet afdwingen. Dat laatste wil jullie, werkgevers, namelijk nog wel eens op weg helpen.

Dan kan iedereen die zich nu moeizaam naar de AOW-datum sleept, ook daarna nog echt
gezond genieten van een welverdiend pensioen! 

zondag 23 december 2018

Vakbond en neoliberalisme

Gewijzigde blog . Vervangt 'De vakbeweging: strategienotities' uit oktober 2018

Direct naar de webpublicatie:  'Vakbond en neoliberalisme' ? Klik hier 


Ik zag uit naar de publicatie ‘Positie en strategie vakbeweging’. Een boekje,  bestaande uit dertien artikelen, inleidingen en discussiebijdragen. Uitgegeven door het Wetenschappelijk bureau voor de vakbeweging, de Burcht.  De bundel is het product van de conferentie ‘Wetenschap en vakbeweging’ in november 2016, en van enkele vervolgbijeenkomsten. 
Hoe relevant is zo'n publicatie? Zeer! Heel eenvoudig omdat een vakbeweging zonder breed gedragen strategische uitgangspunten stuurloos-los-zand is. En de grootste vakbond, de FNV heeft zich nog allesbehalve hersteld van de bijna-implosie in 2012.

Wie zijn oor even te luisteren legt binnen de FNV, krijgt de meest uiteenlopende en tegenstrijdige opvattingen te horen, over de samenleving en over de rol, prioriteiten en werkwijze van de vakbeweging.

Dat wekt twijfel over nut en toegevoegde waarde van de bundel. Ondanks artikelen waar ik een 'warm gevoel' bij krijg. Dat zijn dan niet alleen de artikelen van Oudenampsen en Hollanders, maar ook dat van Mirjam de Rijk, 'Vijf suggesties voor een sterke vakbeweging' en zeker ook het slotartikel van Paul de Beer, 'De noodzaak van wetenschappelijk onderzoek naar de vakbeweging'. Dat laatste stuk had, met een andere titel, uitstekend als 'aftrap', helemaal voorin de bundel, kunnen dienen!
Maar alles bij elkaar laat 'Positie en strategie van de vakbeweging’ vooral een onevenwichtige en 'onaffe' indruk achter. Titel en inhoud lijken niet echt met elkaar te 'matchen', ook door de breed uitwaaierende onderwerpen. Waarom juist díe gekozen zijn blijft duister.

Het zou kunnen dat het beperkte 'voortraject', een conferentie en enkele 'werkgroepbijeenkomsten' hier mede debet aan zijn. Saskia Boumans spreekt van een 'geanimeerde discussie de laatste jaren'. Toch lijkt die discussie, voor zover al gevoerd, tot weinig verdieping, laat staan tot een gedeelde analyse en visie te hebben geleid. Typerend is het ruim anderhalf jaar oude artikel van Roel Berghuis. Ongewijzigd geplaatst.
Ik acht de meerwaarde van de bundel 'Positie en strategie vakbeweging' voor het denken over de strategie dan ook uiterst beperkt. Het geheel had misschien als voorzet voor onderzoek kunnen dienen, maar niet als oogst na anderhalf jaar stilte.

(Te) hoog gespannen verwachtingen over gedegen sociaalwetenschappelijk en historisch onderzoek naar  vakbondsstrategie, zouden wel eens de verklaring kunnen zijn voor mijn teleurstelling. Persoonlijke conclusie: deze bundel, niet in het minst door het wetenschappelijke 'etiket' op de omslag, scoort - for what it's worth - bij mij een onvoldoende.
Resteert als advies: snel en grondig aan de slag met de eind 2016 geformuleerde 'onderzoeksagenda'!

Gemengde gevoelens



Na lezing van ‘Positie en strategie vakbeweging’ resteren gemengde gevoelens. De bundel gaat sterk van start. Merijn Oudenampsen ('Een stille revolutie? Neoliberalisme in de polder') en David Hollanders ('Vakbond: slachtoffer én drager van financialisering pensioendomein'), hebben degelijke, goed onderbouwde artikelen geschreven. In potentie een stevige basis voor verdere reflectie op en onderzoek naar de reactie van de vakbeweging op de 'neoliberale draai'. Maar die reflectie komt in het vervolg niet echt van de grond. Het is allemaal te gefragmenteerd, er zijn teveel 'snelle schetsen', teveel onafgemaakte enerzijds-anderzijds overwegingen. Er is teveel gladgestreken 'geschiedschrijving' en de 'eternal triangle' van Richard Hyman,  een theoretisch model dat helpt vakbonden te positioneren  in het spanningsveld tussen markt ('vakbond alleen voor vakbondsleden'), klasse ('vakbond tegen het kapitaal') en maatschappij ('vakbond voor het algemeen belang'), lijkt meer corset dan verklaringsmodel.



Een alternatieve aanzet tot analyse


Bovenstaand 'oordeel' is niet onderbouwd, zult u zeggen. Dat klopt. Kritiek formuleren, onderbouwen, daar niet in blijven 'hangen', maar ook ingrediënten aandragen voor nadere analyse…dat lukt niet in een blogje. En dat vraagt tijd.

De publicatie ‘Positie en strategie vakbeweging’ heeft me geprikkeld om zelf ingrediënten aan te dragen voor nadere analyse  van positie en strategie van de vakbeweging.
Het resultaat na 6 maanden is meer dan een blog: het  is uitgegroeid tot een complete webpublicatie.  Aanvankelijk onder de titel: “De vakbeweging: Strategienotities”, in de meest recente versie omgedoopt tot  'Vakbond en neoliberalisme'  

Wat valt daar te lezen? Een analyse van het 'Akkoord van Wassenaar' uit 1982. Voor heel wat mensen het voornaamste succes van de vakbeweging in de afgelopen tientallen jaren. En ook nog eens de lanceerbasis van het begrip poldermodel. Vaker geanalyseerd, en toch nog steeds omstreden: was het nou goed, of juist niet, dat akkoord? Aansluitend op de analyse van Oudenampsen in de bundel Positie en Strategie Vakbeweging', besteed  ik  in 'Vakbeweging en neoliberalisme' aandacht aan de vervolgvraag: hoe reageerde de FNV op die 'neoliberale draai'? Daarna gaan enkele 'vakbondsdilemma's', zoals het  'Angelsaksisch of Rijnlands model' en 'brede of smalle vakbeweging' onder het vergrootglas. Ook de 'eternal triangle' van Richard Hyman wordt belicht.


Tien voorzetten 


In  'Vakbeweging en neoliberalisme' beperk ik me niet tot een kritische analyse, maar staan ook een reeks strategische voorzetten. Onderstaande 'top 10' acht ik van wezenlijk belang voor strategie en toekomstperspectief van met name de FNV. 
Een dergelijke top 10 doet in zijn beknoptheid qualitate qua slechts beperkt recht aan de webpublicatie 'Vakbeweging en neoliberalisme'.  Alleen daar is 'het hele verhaal' terug te lezen.  
1.    Verbind een gedegen wetenschappelijke analyse van economische en maatschappelijke ontwikkelingen met reflectie op de wijze waarop de vakbeweging zich hierin positioneert.
2.    Betrek vakbewegingsmensen bij deze analyse en reflectie, en dan niet alleen van de FNV, zonder afbreuk te doen aan wetenschappelijke onafhankelijkheid, niveau en samenhang. Zo'n betrokkenheid helpt het onderzoek, maar vooral ook  het doen 'landen' van inzichten en conclusies binnen de vakbeweging zelf.
3.    Durf afstand te nemen van traditionele sociaaleconomische opvattingen, waarin economische groei en werkgelegenheid tot nauwelijks ter discussie  staande  dogma's zijn verheven.
4.     Evalueer en herijk van de positie van de vakbeweging in de polder. Nog steeds is er een te eenzijdige vakbewegingsfocus op overleg  werkgevers en overheid. Daarmee wordt - Windmuller constateerde het 50 jaar geleden al  - de positie van 'het instituut' als zodanig van groter gewicht dan de belangen die de vakbeweging vertegenwoordigt. Intussen kalft het machtsfundament van de vakbeweging in  de polder steeds verder af.
5.    Kies resoluut voor versteviging van de vakbond op de werkvloer. Investeer in de verbinding tussen vakbeweging en ondernemingsraad. Neem 'activerend vakbondswerk' als uitgangspunt, en neem afstand van de zaakwaarnemersbenadering.
6.    Breek met de eenzijdige gerichtheid op 'arbeid en inkomen'. Een vakbeweging die meer wil dan de schade beperken of repareren, wanneer werknemersbelangen worden  bedreigd, zal de fundamentele oorzaken van die bedreiging moeten durven aanpakken. Die oorzaken liggen vaak buiten de directe sfeer van arbeid en inkomen, in eigendoms- en machtsverhoudingen en in de belangentegenstellingen die daaruit voortvloeien.
Een vakbeweging die zowel de directe als de lange termijnbelangen van werkenden serieus neemt, ontkomt niet aan een meeromvattende bemoeienis met maatschappelijke problemen dan alleen op hun gevolgen voor arbeid en inkomen.
7.    Beëindig de defensieve, reactieve en op aanpassing gerichte denk- en werkwijze van de voorbije decennia. Maak de (niet eenvoudige) draai naar  een offensief en pro-actief vakbondsconcept. Agendasettend, een tegenmacht tegen scheefgroeiende maatschappelijke verhoudingen,  in plaats van zich daar vooral aan te conformeren.
8.    Debatteer over inhoud en proces. Te vaak worden verschillen van inzicht binnen de vakbeweging vertaald in discussies over structuur, in een gevecht om posities en financiën.
9.    Pers de vakbeweging niet binnen sjablonen. Of dat nu de 'eternal triangle' van Hyman, de 'logica van het lidmaatschap' tegenover de 'logica van de invloed', een 'duaal' of 'politiek' systeem van arbeidsverhoudingen is: de vakbeweging geforceerd binnen de contouren van een model persen, leidt tot niets, en maakt de discussie over een model tot doel op zich.
10. Streef naar herstel van inspirerend en doelgericht leiderschap. Hoewel na de fusie in 2015 de FNV duidelijk beweegt naar meer centralisme, naar een sterkere top-down gerichtheid, staat dit niet gelijk aan sterk leiderschap. Integendeel: de FNV, en ik beperk me bewust tot de FNV, is zelden zo volslagen stuur- en richtingloos geweest als in de jaren na 2015. Zo mogelijk nog erger is het 'wegkijken' van de problemen tot op de hoogste niveaus. Het gevoel van urgentie, waardoor de vakbeweging er in eerdere periodes in slaagde het tij te keren, ontbreekt nagenoeg. 

Deze Blog is vooral bedoeld als prikkel om beide documenten, Positie en strategie vakbeweging’ en  'Vakbond en neoliberalisme' te lezen. Dat wordt in beide gevallen géén kwestie van snel een A4tje diagonaal scannen'. Je moet er even voor gaan zitten. 
Daarom zijn, voor hen die geen tijd en/of zin hebben, of die zich alleen in bepaalde deelonderwerpen willen verdiepen, de afzonderlijke hoofdstukken van de oorspronkelijke 'Strategienotities' ook als aparte pdf-documenten te lezen.